Menu

None

Reactie van Sake Stoppels op Proeven en watertanden

De theoloog Ronald Westerbeek, promovendus aan de TUU en gastdocent aan de Theologische Universiteit Utrecht en het Evangelisch College, schreef een grondig boek over charismatische vernieuwing. Hij begint in het eerste en meest omvangrijke hoofdstuk met het scheppen van orde in de brede wereld van het charismatische christendom. Achter deze aanduiding gaat een heel bonte wereld schuil. Hij komt tot een vijfdeling, maar erkent daarbij direct dat het hier om een foto gaat van een bewegend beeld. Dynamiek, kruisbestuiving en schuivende panelen zijn inherent aan deze wereld.

Je krijgt het plaatje dus nooit helemaal scherp. Dat weerhoudt hem er overigens niet van om de vijf telkens samen te vatten in de vorm van een diagram. Zijn indeling gaat terug op de heilsvraag: hoe wordt heil verstaan, wanneer breekt het aan en hoe is de rol van mensen bij de bemiddeling ervan? Hij komt tot de volgende hoofdstromen: de charismatische spiritualiteit van de onafhankelijke Geest-kerken (Afrika, Azië, Latijns Amerika), het klassieke pentecostalisme (Azusastreet 1906), klassieke charismatische vernieuwing in de traditionele kerken (bijvoorbeeld de Charismatische Werkgemeenschap Nederland, CWN), theologie van het Koninkrijk als enacted, inaugurated eschatology (bijvoorbeeld New Wine) en ten slotte het neo-pentecostalisme (bijvoorbeeld Frontrunners van Tom de Wal).

Het boek biedt een uitstekende introductie in de veelkleurigheid van het charismatische christendom

Westerbeek is zelf theoloog binnen de vierde beweging en deze werkt hij dan ook uit in het tweede hoofdstuk en de rest van het boek. Centraal daarbij staat het ‘reeds’ en het ‘nog niet’ van het Koninkrijk. ‘We proeven nu al verrassend van Gods toekomst, in tastbare ervaringen van Gods nabijheid. En vaak blijft het nog watertanden, reikhalzend uitzien en soms ook pijnlijk ontberen, verlangend naar Gods heelheid en herstel in een gebroken wereld.’ (18) Hij kan spreken van een charismatische kruistheologie. Anders dan in de vijfde stroming (besproken in hoofdstuk 3) waar ‘name it and claim it’ de toon zet, welvaart wordt gepredikt en de overwinning over ziekte wordt verzekerd, benadrukt Westerbeek het onvolkomene van deze tussentijd. Juist ook in het lijden wil Christus aanwezig zijn en de Geest nabij.

In hoofdstuk 4 gaat het over het meewerken met God op een drievoudige wijze: als koning, profeet en priester. Het vijfde hoofdstuk gaat over intimiteit met God: ‘hoe kunnen we groeien in een vertrouwelijke omgang met God en Zijn stem leren verstaan? En wat nu, wanneer we God helemaal niet horen?’ (15) In de laatste twee hoofdstukken staat charismatisch pastoraat centraal. Daarbij heeft hij met name aandacht voor twee kroonjuwelen binnen de vierde hoofdstroom: ministrygebed en gebedspastoraat. Het gaat daarbij om de heelwording van de hele mens in al zijn relaties. Genezing van demonische belasting en strijd (bevrijding) hoort hier ook bij.

Het boek biedt een uitstekende introductie in de veelkleurigheid van het charismatische christendom. Het laat de enorme theologische breedte zien. Tegelijk maakt Westerbeek zijn eigen positie in dit veld gemotiveerd duidelijk. Hij is diep in deze bonte wereld gedoken en heeft tal van bronnen geraadpleegd. Het is ook een persoonlijk boek. Zo vertelt hij bijvoorbeeld dat hij zijn geloof zowel verloor als hervond in Afrika. Daar ontdekte hij God opnieuw, op manieren die soms verbijsterend nieuw voor hem waren. Ik plaats drie kanttekeningen.

De eerste gaat over het verschil tussen de derde en de vierde stroming. Ze verschillen qua herkomst, maar, uitgaande van het denken binnen de CWN en New Wine als representanten van de twee, zie ik theologisch gezien vooral inhoudelijke overeenkomsten. In hoeverre is er dus grond om deze twee hoofdstromen apart te noemen?

Een tweede punt is het ontbreken van praktijkvoorbeelden uit de gemeente. Het boek wil laten proeven van Gods goedheid die ons nu al toevalt, maar we hebben het te doen – om in de beeldspraak te blijven – met een theologische menukaart met allerlei charismatische recepten. Het Engelse spreekwoord kwam bij op: ‘the proof of the pudding is in the eating.’ Nu gaat het hier om een primair systematisch-theologische studie, maar het betreedt wel allerlei handelingsvelden (ministrygebed, gebedspastoraat bijvoorbeeld) die Westerbeek van dichtbij uit de praktijk kent. Ik zou hem willen uitdagen zijn studie nog voort te zetten en daarbij te focussen op praktijken binnen de kerkelijke gemeente. Wat zien we daar aan charismatische vernieuwing? Hoe blijkt het in de praktijk (al dan niet) te (blijven) werken? Gemeenteopbouwkundig biedt Westerbeek veel materiaal dat uitdaagt.

Een derde punt raakt aan het tweede werkwoord in de titel, ‘watertanden’. Eschatologie zou je de ruggengraat van het boek kunnen noemen. Al ons handelen mag rusten in de toekomst van God. En deze toekomst is om van te watertanden. Maar die toekomst is in het Nieuwe Testament al onderwerp van gesprek. De aanvankelijke verwachting van een spoedige terugkeer van Jezus wordt niet bewaarheid. Al in bepaalde fragmenten van het Nieuwe Testament voel je de spanning en de zoektocht op dit punt. We zijn inmiddels bijna 2000 jaar verder en hoe reëel is dan het geloof in een alles omvattende ultieme goddelijke ingreep in onze werkelijkheid? Voor mij is dat een aangelegen punt omdat dit geloof bij mij in hoge mate hapert.

Dat is uiteraard een persoonlijke kwestie, maar ik zal hier niet de enige zijn. Ik vind het dan ook jammer dat Westerbeek zo ongeremd spreekt over Gods toekomst zonder daarbij het gesprek dat het Nieuwe Testament op dit punt zelf al begonnen is, echt al mee te nemen in zijn theologiseren. Instemmend haalt hij Kees van der Kooi aan die stelt dat God zelf de voleinding uitstelt (230). Dat is hoge theologische taal waar ik niet goed bij kan. Want hoe weten we dat? Hoe reëel is het om al 2000 jaar lang over een ‘tussentijd’ te spreken? Wat zou er met het boek gebeuren als Westerbeek zijn geloof in de definitieve voltooiing van het Koninkrijk geen of een veel minder prominente plek zou geven? Een goed gesprek hierover zou me welkom zijn.

Sake Stoppels is emeritus lector (CHE) en oud-docent gemeenteopbouw (VU).


Ronald Westerbeek, Proeven en watertanden. Aanzetten tot charismatische vernieuwing. Uitgeverij: Utrecht, KokBoekencentrum Uitgevers, 2025. 256 pp. € 22,99. ISBN 9789043542623

Wellicht ook interessant

Matthijs den Otter
Matthijs den Otter
Basis

Korte Metten: Zacht op de persoon, hard op de inhoud

Toen ik net twee jaar werkervaring had, werd ik – tot mijn verbazing – aangenomen als teamleider bij een maatschappelijk projectbureau. De thema’s en het contact met opdrachtgevers vond ik leuk, maar het leidinggevende gedeelte knap lastig. Met name het feedback geven. Wie was ik als 26-jarige om anderen te vertellen wat ze beter moesten doen? Wat als ze zich gekwetst zouden voelen? Toen ik dit een keer besprak met mijn eigen leidinggevende gaf hij me een tip: ‘Zacht op de persoon, hard op de inhoud.’ Een waar feedback-credo. Een simpel, maar vernuftig uitgangspunt. Het stelt de ander centraal. Het leert je diegene allereerst te zien als mens. Maar voel je je daardoor veel vrijer om scherp feedback te geven op de inhoud, op wat die ander beter kan doen?  Dat staat immers los van de waarde van die persoon.

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
None

Het leven van de gemeente

De kerkorde typeert het werk van de kerkenraad als ‘leiding geven aan de opbouw van de gemeente in de wereld’. Maar wat moet je je daarbij voorstellen? Ord. 4-7-1 ziet het als de tweede taak van de kerkenraad, na de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten: immers, in paragraaf 2.1 zagen we al dat de gemeente allereerst een horende en vierende gemeenschap is. Maar wie het Woord hoort en de gemeenschap met God en mensen beleeft rond doop en avondmaal, weet zich ook geroepen ‘tot dienst aan het Woord van God’ (art. IV-1 KO). Daarmee komt de opbouw van de gemeente in de wereld in beeld. Opbouw van de gemeente: in pastoraat, gemeentediaconaat, geestelijke vorming, en wat ook verder maar kan dienen ‘tot opbouw van het lichaam van Christus’. In de wereld: onder meer in diaconaal en missionair werk.

Nieuwe boeken