Hebreeën 11 begint en eindigt met de mededeling dat er van oudsher mensen zijn geweest die om hun geloof geprezen worden (11,2.39). Daartussen wordt eerst een reeks mensen genoemd met een voorbeeld van hun geloof: Abel, Henoch, Noach, Abraham en Sara, Isaak, Jakob en Esau, Mozes, Rachab, Gideon en Barak, Simson en Jefta, David en Samuel. Daarna volgt nog een aantal groepen: profeten die leeuwen de muil toeklemden of vijandelijke legers op de vlucht deden slaan, vrouwen die hun doden terugkregen, martelaren en andere rondzwervende, mishandelde en vernederde geloofsgetuigen. De briefschrijver maakt twee keer een voorbehoud bij deze lofrede op
Het volledige Premium-artikel lezen?
Als Premium-lid kan je dit artikel gratis lezen door in te loggen op jouw account. Nog geen Premium-lid? Al voor € 10,- per maand lees je alles op Theologie.nl.
InloggenLid worden