Menu

Premium

Een tegenevangelie

3e zondag na Trinitatis (Marcus 4,26-34)

Marcus is het oudste van de drie synoptische evangeliën. Wie Marcus was weten we niet. Fascinerende en soms noodzakelijkerwijs ook wat speculatieve informatie over Marcus en zijn evangelie biedt Egbert Rooze, die het evangelie volgens Marcus beschouwt als een tegenevangelie.1

Volgens Rooze was Marcus in het jaar 71 getuige van de triomftocht van Titus in Rome, een jaar na de verwoesting van Jeruzalem. Hij wist van de 700 jonge, mooie, sterke joodse mannen die daarin waren meegevoerd en later tot vermaak van het volk voor de leeuwen werden gegooid. Marcus was volgens Rooze ook getuige van de ondergang van het joodse volk een jaar daarvoor, toen Titus Jeruzalem verwoestte, de tempel in brand stak en tienduizenden overlevenden aan het kruis liet slaan. ‘Er was in Judea geen hout genoeg voor al die kruisen,’ schreef Flavius Josephus. De joodse oorlog, die woedde van 66 tot 70, verwoestte al het land op de route van de Romeinse legers: in Galilea (onderweg naar Judea), in Perea en in Judea en Jeruzalem.

Bij de slachtingen die hierbij hebben plaatsgevonden ging het, aldus Josephus, om meer dan 1.000.000 mensen en 97.000 krijgsgevangenen. Marcus moet ook geweten hebben van de brand van Rome in 64, die de helft van de stad in de as legde en waarvan de christenen de schuld kregen: ze werden massaal gekruisigd, levend verbrand en in jachtshows door hongerige jachthonden aan stukken gescheurd. Het verslag van al deze gebeurtenissen werd in de Romeinse annalen ‘evangelie’ genoemd. Daar tegenin schreef Marcus, veertig jaar na de dood van Jezus, zíjn evangelie, dat hij noemde: Evangelie van Jezus Christus, de zoon van God.

Koninkrijk van God

Precies waar Titus zijn veldslag begon, in Galilea, treedt Jezus voor het eerst op, ‘verkondigende het evangelie van God’ (Marc. 1,14). Let op de focus: van Gód, niet van de keizer. Daarom noemt Rooze dit geschrift een tegenevangelie. Het gaat niet over de glorie van de Romeinse keizer en diens heldendaden voor de ‘Pax Romana’, maar over vrede van Gód die alle verstand te boven gaat (Fil. 4,7). In dit evangelie gaat het van begin (1,14) tot eind over het Koninkrijk van Gód als een politiek-pastoraal concept.

Waar haalt Marcus het begrip ‘Koninkrijk van God’, dat zo’n twintig keer voorkomt, vandaan? De Griekse tekstuitgave van Nestle-Aland 28 verwijst bij 1,14 naar Daniël 7,22. Een interessantere verwijzing vind ik Daniël 2,44. Daniël legt daar een droom van Nebukadnessar uit. Volgens Daniël zullen de dagen komen waarop de God des hemels een koninkrijk zal oprichten dat alle aardse koninkrijken zal verbrijzelen, en dat koninkrijk zal bestaan in eeuwigheid. Zullen de hoorders of lezers van Marcus bij het koninkrijk waarover Jezus spreekt aan iets anders hebben kúnnen denken dan aan de ondergang van Rome en het herstel van Jeruzalem? Aan iets anders dan aan ‘het komende rijk van onze vader David’ (Marc. 11,10)?

God van verbrijzelden

Maar hoe zal dat dan gaan? Hoe en wanneer komen die dagen waarvan Daniël spreekt? Daarover gaan de prediking en het onderricht van Jezus. Hij trekt op zijn tocht van Galilea naar Jeruzalem (dezelfde route als die van de Romeinse legers) van synagoge naar synagoge om daar te prediken, om mensen te bemoedigen en om te onderwijzen. De mensen stonden versteld over zijn leer, want in zijn Tora-onderricht sprak Hij over de God van Israël als over de God van de verbrijzelden. Over hún God dus, een God die de farao, die álle farao’s in het zand laat bijten, vroeger of later. Een barmhartige God die zich ontfermt over wie ‘onder ligt in stof en slijk’ (Ps. 113). Een God die zich ontfermt over de scharen. De scharen herkenden zich dan ook in de prediking en het onderricht van Jezus en zij begeleidden Hem als een wolk van getuigen, overal waar Hij kwam.

Zaad van hoop en verwachting

Nogmaals de vraag: Hoe zal dat gaan met de komst van dat Rijk van God, met zijn koningschap in onze wereld, in hún wereld? Komt dat Rijk gewapenderhand tot stand? Of op een andere manier? Ja, op een andere manier; en daarover gaan de gelijkenissen in hoofdstuk 4, over het zaad en de akker. Het zaad is het Woord dat gezaaid wordt. Het is het Woord dat Jezus met zijn prediking en onderricht zaait in de harten en hoofden van de scharen. Of moet je zeggen van de mensen? Misschien ook dat, maar allereerst en allermeest toch de scharen, want die zijn als schapen zonder herder (6,34), ternauwernood ontkomen aan de Romeinse oorlogsmachine. Het is zaad van hoop en verwachting, van bemoediging en toezegging van Gods trouw. Het is evangelie van het Koninkrijk van God.

Gaat dat dan vanzelf? Groeit dat zaad automatisch (4,28) op? Ja, zo is het, en dat is het ongelofelijk bemoedigende van de gelijkenis in de verzen 26-29. Jesaja schrijft (55,11) dat het Woord niet ledig zal terugkeren. Het zal doen waartoe het is uitgezonden. Het zál vrucht dragen: vrede, vreugde en recht. Het zal doen waar Maria in haar lofzang van zingt. Moeten wij dan niks doen? Gewoon afwachten? Nee, wij moeten zaaien wat we ontvangen en dat laten rijpen in onze harten en handen. Wij vieren de liturgie en horen het Woord dat Jezus spreekt, zijn prediking en zijn onderricht. Dat woord komt op. Niet bij iedereen, niet bij iedereen evenveel. Bij sommigen meer, bij anderen minder en bij nog weer anderen helemaal niet. Zij haken af. Maar er is rijke oogst, hoe klein ook het zaad – daarover gaat de tweede gelijkenis, die over het mosterdzaad. De groei van het Rijk zal verbazingwekkend zijn.

Deze exegese is opgesteld door Jaap Goorhuis.

  1. Egbert Rooze, Marcus als tegenevangelie. Antwerpen: Halewijn, 2012 ↩︎

Wellicht ook interessant

Matthijs den Otter
Matthijs den Otter
Basis

Korte Metten: Zacht op de persoon, hard op de inhoud

Toen ik net twee jaar werkervaring had, werd ik – tot mijn verbazing – aangenomen als teamleider bij een maatschappelijk projectbureau. De thema’s en het contact met opdrachtgevers vond ik leuk, maar het leidinggevende gedeelte knap lastig. Met name het feedback geven. Wie was ik als 26-jarige om anderen te vertellen wat ze beter moesten doen? Wat als ze zich gekwetst zouden voelen? Toen ik dit een keer besprak met mijn eigen leidinggevende gaf hij me een tip: ‘Zacht op de persoon, hard op de inhoud.’ Een waar feedback-credo. Een simpel, maar vernuftig uitgangspunt. Het stelt de ander centraal. Het leert je diegene allereerst te zien als mens. Maar voel je je daardoor veel vrijer om scherp feedback te geven op de inhoud, op wat die ander beter kan doen?  Dat staat immers los van de waarde van die persoon.

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
None

Het leven van de gemeente

De kerkorde typeert het werk van de kerkenraad als ‘leiding geven aan de opbouw van de gemeente in de wereld’. Maar wat moet je je daarbij voorstellen? Ord. 4-7-1 ziet het als de tweede taak van de kerkenraad, na de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten: immers, in paragraaf 2.1 zagen we al dat de gemeente allereerst een horende en vierende gemeenschap is. Maar wie het Woord hoort en de gemeenschap met God en mensen beleeft rond doop en avondmaal, weet zich ook geroepen ‘tot dienst aan het Woord van God’ (art. IV-1 KO). Daarmee komt de opbouw van de gemeente in de wereld in beeld. Opbouw van de gemeente: in pastoraat, gemeentediaconaat, geestelijke vorming, en wat ook verder maar kan dienen ‘tot opbouw van het lichaam van Christus’. In de wereld: onder meer in diaconaal en missionair werk.

Nieuwe boeken