Menu

Premium

Herstellen, navolgen en getuigen

3e zondag van Pasen (Johannes 21,15-24)

De opdracht die Jezus aan Petrus geeft in het slot van het Evangelie volgens Johannes, heeft veel vragen opgeroepen in de receptiegeschiedenis ervan. Daarbij draait de controverse om de bijzondere rol die Petrus al dan niet toebedeeld krijgt onder de leerlingen – en de mogelijke gevolgen daarvan voor Petrus’ opvolgers, de bisschoppen van Rome. De tekst gaat echter over meer dan over de relatieve posities van Jezus’ leerlingen – in deze perikoop naast Petrus ook de geliefde leerling. Met name staat de vraag van navolging überhaupt centraal.

De perikoop 21,15-24 is onderdeel van een langer bericht over een verschijning van Jezus die begint met een wonderbaarlijke visvangst (21,1-14). Het verhaal van de visvangst mondt uit in een gemeenschappelijke maaltijd (21,9-14). Na de opmerking dat dit de derde keer sinds zijn verrijzenis is dat Jezus aan de leerlingen verschenen is (21,14), volgt het gesprek van Jezus met Petrus.

Dit gesprek staat in het kader van de maaltijd (21,15). De maaltijd herinnert aan eerdere maaltijden van Jezus, met name aan de maaltijd voorafgaand aan zijn lijden en sterven (Joh. 13–17). De drievoudige vraag van Jezus in 21,15-17 herinnert aan de drievoudige verloochening van Jezus door Petrus na diens arrestatie (18,17-18.25-27; de eerste keer gebeurde ook bij een kolenvuur, vergelijk 18,18 met 21,9). Petrus’ verloochening van Jezus betekende ook een breuk van tafelgemeenschap die met het woordveld ‘liefde’ geassocieerd was, dat ook hier in Johannes 21 een rol speelt met de Griekse werkwoorden agapaoo en fileoo (‘liefhebben’). Petrus’ opmerking dat Jezus toch wel weet dat hij van Hem houdt, is niet zonder meer geloofwaardig.

Het is verleidelijk om veel te zoeken achter het afwisselen van deze beide werkwoorden, net zoals achter het afwisselen van de woorden voor ‘lammeren’ en ‘schapen’ (Gr.: arnia en probata); maar wat de betekenis van die afwisseling dan moet zijn is onduidelijk. Het kan ook gewoon een door stilistische overwegingen ingegeven variatie zijn.

Herstel van relaties

Duidelijker (en wellicht ook belangrijker) dan deze taalkundige vraag is dat met de verrijzenis en verschijning van Jezus ook relaties hersteld worden, in dit geval niet alleen die tussen Jezus en zijn leerlingen, maar ook en in het bijzonder de relatie met die leerling die Hem het meest spectaculair in de steek gelaten had.

Dit herstel van de relatie gaat gepaard met een opdracht en een perspectief: het houden van Jezus moet concrete gestalte krijgen in het hoeden van Jezus’ ‘lammeren’ of ‘schapen’. Of daarmee een permanente bijzondere positie voor Petrus – zelfs hiërarchisch boven de andere leerlingen – en eventueel ook voor zijn opvolgers bedoeld is, is een vraag die de tekst niet erg lijkt te interesseren. Wel interesseert het de tekst hoe Petrus zal sterven (21,18-19). In omfloerst taalgebruik geeft Jezus aan dat Petrus als martelaar zal sterven – een dood die past bij de navolging van iemand die zelf ook zo’n dood stierf. In het verhaal van het evangelie is dit nog toekomst. Mogelijk wist ‘Johannes’ al hoe Petrus gestorven was, maar ook dan wijst dit vaticinium ex eventu op de coherentie tussen navolging en martelaarschap.

Deze samenhang blijkt ook uit de woorden die Jezus aan het slot van zijn uitspraak over Petrus’ levenseinde spreekt: ‘Volg mij.’

Wat deze tekst ook interesseert, is de rol van de andere ‘prominent’ van dit evangelie, de geliefde leerling die Jezus het langste trouw gebleven is van alle leerlingen en die aan tafel bij het laatste avondmaal een bijzondere rol had, zoals de evangelist hier in herinnering roept. Petrus zelf vestigt de aandacht op hem door te vragen hoe het dan met hem zal gaan. Wat dan volgt lijkt, historisch gezien, een voorafschaduwing te zijn van de discussie over wat Jezus’ woorden over deze leerling wel of niet betekenen. Wat daarbij bijna uit het zicht verdwijnt, is de nadruk die Jezus zelf legt in zijn antwoord: ‘Wanneer Ik wil dat hij in leven blijft totdat Ik kom, is dat niet jouw zaak. Jij moet Mij volgen.’

Hier, net zoals aan het slot van zijn zin over Petrus’ eigen dood, benadrukt Jezus de noodzaak van de navolging. Die navolging is wezenlijker dan de manier waarop iemand zal sterven – en als Johannes dat inderdaad bedoelt te benadrukken, is dat in overeenstemming met de vroegkerkelijke overtuiging dat een dood als bloedgetuige een mogelijk gevolg van navolging was, maar niet het logische doel ervan en dat het ook niet iets was dat je zelf zou moeten zoeken.

Getuigen

De eigenlijke nadruk die Johannes legt bij zijn beschrijving van de rol van de geliefde leerling ligt dan ook op iets anders dan zijn dood. Dit blijkt wel uit de slotverzen van de perikoop (21,24-25), waarin het getuigenis van deze leerling centraal staat. Dat is de rol die hij te spelen heeft: getuigen en dit getuigenis opschrijven. Daarmee eindigde ook hoofdstuk 20, zij het zonder de suggestie dat de geliefde leerling de getuige en auteur is – dat maakt Johannes 21 een secundair slot, maar wel met een eigen accent.

In Johannes 21 komt zo een aantal grondvormen van discipelschap aan de orde, als het ware geďllustreerd door Petrus en Johannes. In de eerste plaats is er de navolging, iets wat Jezus tegenover de op dit punt niet altijd overtuigende Petrus onderstreept. Daarbinnen kun je het weiden van Jezus’ schapen als een bijzondere uitwerking en concretisering van navolging zien. Dat geldt ook voor het afleggen van getuigenis, in het verlengde waarvan een mogelijk martelaarschap ligt. De verschijning van Jezus na zijn verrijzenis, zijn maaltijd met de leerlingen en zijn vragen aan Petrus, hebben zo ook een doel dat uitgaat boven het ‘bewijzen’ van de opstanding, namelijk het herstel van door verraad, verloochening en dood verstoorde relaties, en het opnieuw oproepen tot navolging, nu van de verrezen Heer.

Deze exegese is opgesteld door Peter-Ben Smit.

Wellicht ook interessant

Nieuwe boeken