Leven onder Mozes’ opvolger
4e zondag na Epifanie (Deuteronomium 18,15-20, 1 Korinti�rs 8,1b-13 en Marcus 1,21-28)
In de oudtestamentische lezing van deze vierde zondag na Epifanie wordt een opvolger van Mozes uit Israël beloofd, een opvolger die in de naam van de Eeuwige zal spreken. Marcus presenteert Jezus in een van de eerste scčnes in zijn evangelie als een jood uit Nazaret wiens nieuwe leer gezag heeft; hogere machten gehoorzamen Hem. Hij is degene die in de naam van de Allerhoogste komt. Paulus besteedt aandacht aan een vraagstuk dat ontstaat onder de aanhangers van Mozes’ opvolger.
Eensluidend menen de evangelisten dat de verzen uit Deuteronomium 18 betrekking hebben op Jezus. Volgens Lucas-Handelingen herinnert Stefanus het Sanhedrin aan de belofte van een profeet zoals Mozes (Hand. 7,37). Bij Johannes zegt Jezus zelf: ‘Over Mij immers heeft Mozes geschreven’ (Joh. 5,46). De opdracht van Deuteronomium 18,15 – ‘Naar hem moet je luisteren’ – wordt herhaald door de stem uit de hemel bij de gedaanteverandering van Jezus (Marc. 9,7 par.).
Epifanie
Jezus verkondigt ‘de nieuwe leer’ in de synagoge. Daar wordt Hem na de lezing van Tora en Profeten het woord gegeven (Marc. 1,21). Zoals in heel Galilea spreekt Hij ook in Kafarnaüm over de actualiteit van de heerschappij van God (vgl. 1,15). Dat deze nu aangebroken is en zich uitstrekt over de onzichtbare wereld, blijkt uit de verdrijving van de ‘onreine geest’ (vgl. Luc. 11,20). De aanwezigen erkennen de gegrondheid van Jezus’ leer. Dit begin van de heerschappij van God met de komst van Jezus is een van de aspecten van Epifanie.
Met enige waarschijnlijkheid ligt aan de titel die de ‘onreine geest’ Jezus toekent een woordspel vanuit het Hebreeuws ten grondslag: Jesjoe‘ah hanesri, nazri ha’elohim, ‘Jezus uit Nazaret, de nazireeër van God’. Een nazireeër is iemand die zich op grond van een gelofte op bijzondere wijze aan God wijdt, zich onthoudt van wijn en zich niet scheert, zoals Simson (Re. 13,5; zie ook Num. 6). Vandaar dat de Griekse weergave van het Hebreeuwse nazir (‘gewijd’) ook als ‘heilig’ wordt vertaald. In het Johannesevangelie gebruikt Petrus dezelfde titel voor Jezus: ‘Wij geloven vast en zeker dat U de heilige (dus: de nazireeër) van God bent’ (Joh. 6,69).
Dat Jezus zich volgens de vroege christelijke traditie op unieke wijze aan God wijdde, blijkt niet alleen uit de titel ‘de heilige van God’. In narratieve vorm is dezelfde overgave beschreven in Jezus’ gebed in Getsemane: ‘Abba, Vader, laat niet gebeuren wat Ik wil, maar wat U wilt’ (Marc. 14,36). In hymnische vorm zien we deze overgave in de brief aan de Filippenzen: ‘Hij werd gehoorzaam tot in de dood’ (Fil. 2,8). Jezus’ volledige wijding aan God komt overeen met de verwachting van de in de oudtestamentische lezing aangekondigde profeet: Hij zou zich volledig in de dienst stellen van de Eeuwige door alleen diens woorden te spreken.
Afgodenoffer
In 1 Korintiërs 8 heeft Paulus het niet met de in het Grieksgebruikelijke term over de ‘heilige offers’, maar over ‘afgodenoffers’. Hij schrijft dus enigszins polemisch uit een (joods-)christelijk perspectief. Waarover gaat deze tekst? In de tempels van de Grieks-Romeinse goden werden dieren geofferd. Het vlees dat overbleef kon door de offeraar meegenomen worden voor privégebruik, kon verkocht worden op de markt of bij een offerfeestmaal in een tempel worden opgegeten. Verplichtingen jegens familieleden of, afhankelijk van je positie, verplichtingen jegens de samenleving konden met zich meebrengen dat je in een situatie terechtkwam waar het vlees van deze offers werd opgediend.
Maar kon je daar als christen met een goed geweten van eten? Voor sommigen was het duidelijk: natuurlijk kon je dat. Tenslotte bestonden deze ‘goden’ niet, het ging dus niet om vlees met een heilig karakter of iets dergelijks, maar gewoon om vlees. Aldus hun geloofsinzicht, vaak vertaald als ‘kennis’ (1 Kor. 8,1). Anderen hadden er echter meer moeite mee. Als zij van dat vlees aten, vereerden ze dan niet toch weer de goden waarvan ze zich net hadden losgemaakt? Hoe moest men in de gemeente omgaan met deze uiteenlopende zienswijzen? De Korintiërs hadden Paulus hierover benaderd.
Geloofsinzicht versus liefde
En als we het nu eens over een andere boeg gooien? Aldus Paulus’ reactie. Want de argumentatie met ‘inzicht’ maakt arrogant, neerbuigend (1 Kor. 1,1). Je zegt dan immers dat anderen dit inzicht níet hebben. En wat doe je daarmee de gemeenschap aan? Of de individuele medechristen? In het ergste geval zou je door jouw deelname aan een afgodenfeestmaal (1 Kor. 1,10) – opnieuw geen ongekleurd woord – een medechristen kunnen verleiden om mee te doen, hoewel zij of hij er nog van overtuigd is dat je daarmee de goden vereert. Dan zou deze medechristen ernstige schade oplopen in haar of zijn geloofsovertuiging.
Paulus gebruikt hiervoor het woord ‘verwoesten’ (1 Kor. 8,11). En dat terwijl het in de gemeente juist ieders taak is, om er voor te zorgen dat de ander niet verwoest wordt, maar ‘opgebouwd’ in het geloof (1 Kor. 8,1). Bij dat ‘opbouwen’ kom je uit als je niet inzicht als criterium gebruikt, maar de liefde voor de medechristen.
Paulus, ik ben je oprecht dankbaar voor je scherpe blik. Je ontmaskert zogenaamd inzicht als arrogantie en hamert erop dat we er vooral voor moeten zorgen dat de ander gedijt. Maar toch nog een vraag: moeten zij met ruimere opvattingen altijd nederig zijn en moeten degenen met een – laten we zeggen – gevoeliger geweten op die manier altijd bepalen wat er gebeurt? Ik hoor je alweer zeggen: ‘Laten we jegens elkaar dezelfde gezindheid hebben als Christus’ (Fil. 2,5). Sta me toe dat ik nog niet helemaal klaar ben met 1 Korintiërs 8, en dat ik blijf nadenken of er in andere situaties nog andere benaderingen mogelijk zijn. In liefde voor de medechristen. Uiteraard.
Deze exegese is opgesteld door Martin Ruf.