Menu

Basis

Paulus en de politiek van het tafelgenootschap

Tafel gevuld met eten
(Beeld: AI)

Stel je eens voor dat je de leider bent van een gemeenschap die wordt gekenmerkt door interne conflicten. Als hoofd van de groep wordt er van je verwacht dat je bemiddelt tussen tegengestelde partijen en de schadelijke gevolgen van voortdurende strijd beperkt. Of je dat nu wilt of niet, je moet handelen en beslissen wat het beste is voor de gemeenschap. Maar misschien kies je een standpunt dat meer aansluit bij de opvattingen van bepaalde groepsleden, wat vijandig zou kunnen overkomen op de rest van de groep. In plaats van het probleem op te lossen, vergroot je het dan misschien juist. Daarbovenop hebben de beslissingen die je neemt consequenties voor hoe men naar je persoon en je levensbeschouwing kijkt.

Dit was precies de situatie van de apostel Paulus binnen de gemeenschap van Christusgelovigen in de Romeinse stad Korinte (het huidige Griekenland). Dankzij Paulus’ betoog over offervlees (voedsel dat aan afgoden was geofferd), te vinden in 1 Korintiërs 8–10, weten we dat maaltijdpraktijken tot aanzienlijke verdeeldheid onder de Korintiërs leidden. Als leider van de gemeenschap vond Paulus het noodzakelijk om dit probleem aan te pakken. Maar de vraag is: hoe? Hoe loste hij het probleem rond het eten van offervlees op? Welk standpunt nam hij in? Hoe ging hij hiermee om zonder de kloof tussen de verschillende groepen te vergroten? En wat zegt dit over zijn persoon of zijn visie op de wereld?

Paulus onbegrepen?

Paulus’ instructies over voedsel dat aan afgoden is geofferd (in het Grieks: ???????????) zijn door moderne wetenschappers gebruikt om zijn verhouding tot zowel het jodendom als het christendom te duiden. Het jodendom was tegen het midden van de jaren 50 n.Chr. een gevestigde religie, terwijl het christendom nog een beginnende beweging was, gekenmerkt door geloof in Christus (de Messias), en later bekend werd als de christelijke beweging. De twee gangbare interpretaties lijken te zijn: ofwel dat Paulus zijn joodse wortels heeft verlaten, ofwel dat hij zich nog steeds binnen het jodendom bewoog.1 Het lijkt erop dat we een specifiek advies over een bijzonder onderwerp beoordelen voor Paulus’ zelfidentificatie. Misschien is de beste weg vooruit: Paulus laten zijn wie hij is, en ons richten op de kern van de zaak — namelijk aandacht geven aan wat werkelijk telt binnen het dilemma van wel of geen offervlees eten.

In verschillende brieven die aan Paulus worden toegeschreven, zien we dat hij zichzelf als jood definieert (Romeinen 11:1; 2 Korintiërs 11:22; Galaten 1:13–14; Filippenzen 3:4–6). Laten we die claim aannemen en ervan uitgaan dat Paulus zich in alles wat hij deed beschouwde als een jood, zoals zovelen in zijn tijd. Laten we nu naar de situatie kijken waarin hij zijn advies moet geven over het eten van voedsel dat aan afgoden is geofferd.

Het probleem van afgoderijvoedsel

In de eerste eeuw na Christus had voedsel vele functies en betekenissen. In een wereld doordrenkt van Griekse en Romeinse cultuur had voedsel duidelijke religieuze connotaties. Mensen uit de oudheid waren voortdurend bezig om in goede verstandhouding met de goden te leven, en voedsel en drank vormden een belangrijk middel om die relatie te onderhouden. Zo stelt Cato de Oudere (234–149 v.Chr.) dat mensen hun essentiële voedselproducten via religieuze rituelen heiligden.2 Pausanias (110–180 n.Chr.) beschrijft eveneens hoe voedsel werd gebruikt als offergave aan de goden.3 Offervoedsel werd niet alleen door de goden ‘genuttigd’, maar ook door mensen: zij namen actief deel aan deze rituele maaltijden.4

Eten en drinken vonden plaats op uiteenlopende locaties. Publieke maaltijden werden vaak georganiseerd in tempels (zoals die van Asklepios of Demeter en Kore in Korinte), of in andere civiele ruimtes (zoals de tholos, het thesmotheteion of het prytaneion).5 In privésfeer werd gegeten in voorname huizen of bescheiden woningen, bijvoorbeeld bij verjaardagen, begrafenissen of huwelijken. In al deze contexten konden volgelingen van Christus in Korinte deelnemen aan gemeenschappelijke maaltijden.

Wat betreft 1 Korintiërs 8–10 weten we dat sommigen aten in tempels (1 Korintiërs 8:10) en anderen in privéhuizen (1 Korintiërs 10:27). Volgens Paulus was het probleem tweevoudig: ten eerste raakten sommigen binnen de gemeenschap — ‘de zwakken’ — in hun geweten gekwetst omdat zij zagen dat andere broeders — ‘de sterken’ — aten in heidense tempels (1 Korintiërs 8:7–12); ten tweede waren ‘de zwakken’ niet blij om ‘de sterken’ te zien deelnemen aan het Avondmaal met de rest van de gemeenschap, terwijl zij eerder hadden deelgenomen aan offervoedsel (Grieks: ???????????, 1 Korintiërs 8:1, 4, 7, 10). In beide gevallen legden ‘de zwakken’ een verband met afgoderij (1 Korintiërs 8:7). Kortom, ‘de zwakken’ vonden dat het gedrag van ‘de sterken’ de gemeenschap van Christus verontreinigde.

Aan de andere kant hadden ‘de sterken’ er geen moeite mee om samen met hun vrienden (waarschijnlijk buitenstaanders) te eten in de eetzalen die verbonden waren aan tempels zoals die van Asklepios of Demeter en Kore in Korinte.6 Voor hen was het voedsel dat daar werd aangeboden gewoon voedsel, en de afgoden waren machteloos; uiteindelijk was er ‘één God, de Vader… en één Heer, Jezus Christus’ (1 Korintiërs 8:4–6).

Een eenvoudige eetgewoonte kan dus uitmonden in iets ernstigs, omdat iemands geweten wordt aangetast

De oplossing voor het probleem van offervlees

Paulus’ antwoord op het probleem van het eten van offervlees kan worden beschouwd als een ‘politieke oplossing.’ Politiek in de zin dat Paulus zowel tegenover ‘de zwakken’ als ‘de sterken’ diplomatiek wil zijn, aangezien er op zichzelf geen wezenlijk probleem is met offervoedsel. Toch is zijn grootste zorg het welzijn van de gemeenschap, en daarom moet hij een oplossing bieden die de groei van de gemeenschap bevordert en niet haar ondergang.

(1) Paulus’ zorg voor ‘de zwakken’

In 1 Korintiërs 8–10 zien we dat Paulus zich bekommert om ‘de zwakken.’ Hij weet dat sommigen een ‘zwak’ geweten hebben omdat ze nog steeds beïnvloed worden door afgoden (8:7). In plaats van hen te bekritiseren, verdedigt Paulus hen juist door ‘de sterken’ op te roepen geen struikelblok voor hen te zijn (8:9). Hij beseft dat het eten van offervoedsel in tempelruimtes door ‘de sterken’ een slechte invloed kan hebben op ‘de zwakken’ — niet vanwege het voedsel zelf, maar omdat ‘de zwakken’ opnieuw onder invloed van afgoden kunnen komen (8:10). Een eenvoudige eetgewoonte kan dus uitmonden in iets ernstigs, omdat iemands geweten wordt aangetast (8:11). Paulus’ oplossing luidt dan ook: ‘Als voedsel een oorzaak is van hun val, zal ik nooit meer vlees eten, opdat ik mijn broeder niet ten val breng’ (8:13). Deze benadering toont dat Paulus werkelijk om ‘de zwakken’ in Korinte geeft. Hij wil niet dat zij van het juiste pad afdwalen, en daarom vraagt hij zelfs van ‘de sterken’ dat zij hun vrijheid beperken.

(2) Paulus’ zorg voor ‘de sterken’

Hoewel Paulus ‘de sterken’ vraagt hun vrijheid te beperken, laat hij ook zien dat hij hen niet negeert. Hoe doet hij dat? Ten eerste erkent hij dat zij gelijk hebben in hun overtuiging dat afgoden niets voorstellen. In 1 Korintiërs 8:4 zegt Paulus tegen ‘de sterken’ dat hij het met hen eens is: ‘Er bestaat geen afgod in de wereld’ en ‘Er is geen God dan één.’ Hij deelt met hen de kennis dat ‘er één God is, de Vader… en één Heer, Jezus Christus’ (8:6). Paulus laat hiermee zien dat ‘de sterken’ theologisch volwassen zijn, omdat zij de goden in de vorm van afgoden verwerpen. Deze erkenning heeft een retorische functie: omdat ‘de sterken’ niet snel worden misleid door afgoden, zouden zij mededogen moeten tonen voor degenen die daar nog wel door beïnvloed worden — ‘de zwakken.’

Een andere manier waarop Paulus zijn zorg voor ‘de sterken’ toont, is door hen toe te staan al het voedsel te eten, zelfs als het aan afgoden is geofferd. Paulus’ concessie in 1 Korintiërs 10:25 is hier een voorbeeld van. Hij moedigt hen aan: ‘Eet alles wat op de vleesmarkt verkocht wordt.’ Volgens Dennis E. Smit had het meeste vlees op de vleesmarkt (macellum) een offerachtergrond.7 Als dat klopt, dan omvat Paulus’ uitnodiging ook offervoedsel. Zijn opmerking om dit te eten ‘zonder navraag te doen omwille van het geweten’ bevestigt dat voedsel op zichzelf niet slecht is, maar dat het problematisch kan worden als iemand hoort dat het om offervlees gaat en daardoor bang wordt om afgoderij te plegen. Paulus’ advies is: vraag er niet naar! Want ‘de aarde en haar volheid zijn van de Heer’ (v.26).8

Een tweede concessie vinden we in 1 Korintiërs 10:27: ‘Als een ongelovige u uitnodigt voor een maaltijd en u besluit te gaan, eet dan alles wat u wordt voorgezet zonder navraag te doen omwille van het geweten.’ Een mogelijke verklaring voor deze toestemming is dat Paulus zich bewust is van de sociale betekenis van samen eten. In de Grieks-Romeinse wereld was dineren dé gelegenheid voor sociale interactie. Juvenalis zegt het treffend: ‘De beloning van grote vriendschap is voedsel’ (fructus amicitiae magnae cibus).9 Een uitnodiging voor een maaltijd afslaan werd als beledigend ervaren. Plinius de Jongere klaagt bijvoorbeeld tegen zijn vriend Septicius Clarus over het afwijzen van een uitnodiging.10 Dit laat zien dat voedsel in de oudheid niet alleen belangrijk was vanwege de fysieke noodzaak, maar ook vanwege de sociale waarde.

Het is zeer waarschijnlijk dat Paulus wist hoe belangrijk het voor de Korintiërs was om sociale banden te versterken via gezamenlijke maaltijden, en dat hij zich bewust was van de implicaties van zowel deelnemen als afzien van zulke bijeenkomsten. Misschien begreep Paulus dat een Korintiër in een patroon-cliëntrelatie verplicht kon zijn om deel te nemen aan een bijeenkomst waar offervoedsel werd geserveerd. Anderen voelden zich verantwoordelijk om aanwezig te zijn bij familiegelegenheden of belangrijke vieringen zoals huwelijken, verjaardagen, de komst van een geliefde, of begrafenissen — momenten waarop vaak offervoedsel werd aangeboden. Er waren dus geldige redenen om alles te eten wat op de vleesmarkt werd verkocht, en ook geldige motieven om een uitnodiging voor een maaltijd te accepteren. Paulus stond toe dat Christusvolgelingen van beide situaties gebruik maakten, mits zij cruciale principes in acht namen: het geweten van de broeders niet bezoedelen en geen afgoderij bedrijven.

Tot slot zijn deze twee adviezen van Paulus in 10:25 en 10:27 ook gericht aan ‘de zwakken.’ Het zijn immers algemene principes die niet alleen ‘de sterken,’ maar ook ‘de zwakken’ toestaan om onder bepaalde omstandigheden voedsel te eten uit de markt of op andere locaties (zoals privébijeenkomsten).

Paulus stond toe dat Christusvolgelingen van beide situaties gebruik maakten, mits zij cruciale principes in acht namen: het geweten van de broeders niet bezoedelen en geen afgoderij bedrijven

Hoe moeten we Paulus plaatsen in dit licht?

Wel, het eenvoudigste antwoord is: deze ‘politieke oplossing’ plaatst Paulus precies daar waar we hem hebben leren kennen. Er is niets veranderd aan Paulus. Hij is nog steeds dezelfde Joodse leider, wiens liefde voor Christus hem ertoe heeft gebracht het goede nieuws te verkondigen in andere delen van het Romeinse Rijk, waar zowel heidenen als Joden wonen. Hoewel in Korinte mensen uit beide achtergronden positief reageerden op het evangelie (een teken van overwinning), ontstonden er ook nieuwe uitdagingen. Eén daarvan was hoe om te gaan met sociale praktijken zoals het eten van offervoedsel — praktijken die op zichzelf niet verkeerd waren, maar wel tot verdeeldheid in de gemeenschap konden leiden.

Zoals eerder besproken, probeert Paulus dit probleem zó te benaderen dat hij niet lijkt te kiezen voor één kant. De tekst wekt de indruk dat Paulus de kant van ‘de zwakken’ kiest, omdat hij zich vooral bekommert om hun geestelijk welzijn. Maar bij nader inzien blijkt dat hij ook zorg draagt voor ‘de sterken.’ Hij weet dat zij theologisch gezien gelijk hebben, maar dat zij een aan Christus gelijk karakter moeten tonen en hun gedrag moeten aanpassen uit liefde voor hun broeders. Paulus is zich ook bewust van de sociale gevolgen van het niet eten van offervoedsel. Daarom staat hij toe dat de Korintiërs alles mogen eten wat op de markt wordt verkocht, en dat zij uitnodigingen voor maaltijden mogen accepteren.

Tot slot laat onze analyse van 1 Korintiërs 8–10 zien dat er niets in de tekst is dat erop wijst dat Paulus het jodendom heeft verlaten. In zijn eigen beleving was hij nog steeds een Jood. Tegelijkertijd houdt hij rekening met de culturele achtergrond van zijn medegelovigen in Korinte, om een passend oordeel te geven over de kwestie van het eten van voedsel dat aan afgoden is geofferd.



Korintiërs
Schrift 2025, nr. 1

Wellicht ook interessant

Matthijs den Otter
Matthijs den Otter
Basis

Korte Metten: Zacht op de persoon, hard op de inhoud

Toen ik net twee jaar werkervaring had, werd ik – tot mijn verbazing – aangenomen als teamleider bij een maatschappelijk projectbureau. De thema’s en het contact met opdrachtgevers vond ik leuk, maar het leidinggevende gedeelte knap lastig. Met name het feedback geven. Wie was ik als 26-jarige om anderen te vertellen wat ze beter moesten doen? Wat als ze zich gekwetst zouden voelen? Toen ik dit een keer besprak met mijn eigen leidinggevende gaf hij me een tip: ‘Zacht op de persoon, hard op de inhoud.’ Een waar feedback-credo. Een simpel, maar vernuftig uitgangspunt. Het stelt de ander centraal. Het leert je diegene allereerst te zien als mens. Maar voel je je daardoor veel vrijer om scherp feedback te geven op de inhoud, op wat die ander beter kan doen?  Dat staat immers los van de waarde van die persoon.

Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
Nieuwe toelichting op de kerkorde van de Protestantse Kerk in Nederland
None

Het leven van de gemeente

De kerkorde typeert het werk van de kerkenraad als ‘leiding geven aan de opbouw van de gemeente in de wereld’. Maar wat moet je je daarbij voorstellen? Ord. 4-7-1 ziet het als de tweede taak van de kerkenraad, na de zorg voor de dienst van Woord en sacramenten: immers, in paragraaf 2.1 zagen we al dat de gemeente allereerst een horende en vierende gemeenschap is. Maar wie het Woord hoort en de gemeenschap met God en mensen beleeft rond doop en avondmaal, weet zich ook geroepen ‘tot dienst aan het Woord van God’ (art. IV-1 KO). Daarmee komt de opbouw van de gemeente in de wereld in beeld. Opbouw van de gemeente: in pastoraat, gemeentediaconaat, geestelijke vorming, en wat ook verder maar kan dienen ‘tot opbouw van het lichaam van Christus’. In de wereld: onder meer in diaconaal en missionair werk.

Nieuwe boeken