Over de amandeltwijg en de kookpot
In Jeremia 1,4-19 roept en zendt de HEER Jeremia als profeet voor alle volken. De jonge profeet moet zich geen angst laten aanjagen door de Judeeërs, ook al brengt hij hun een boodschap van oordeel.
Over De Eerste Dag lees je meer op de landingspagina van De Eerste Dag.
In Jeremia 1,4-19 roept en zendt de HEER Jeremia als profeet voor alle volken. De jonge profeet moet zich geen angst laten aanjagen door de Judeeërs, ook al brengt hij hun een boodschap van oordeel.
De passage uit Handelingen van vandaag beschrijft de kroon op het werk van Petrus bij Cornelius. De kracht van God die in de profeten en in Jezus werkte om wonderen en tekenen te doen onder het volk Israël, werd in Jeruzalem zichtbaar in het genezend werk van Petrus. Nu wordt Petrus gestuurd als instrument om het heil Gods ook beschikbaar te stellen aan alle (heiden)volken. Dit alles wordt als werk van Gods Geest beschreven. Het is een verhaal dat haaks staat op onze gedachten over de maakbaarheid van het leven – en de kerk!
De teksten van deze zondag brengen twee vragen samen. Enerzijds de vraag waar het hart, het innerlijk kompas op gericht is. En anderzijds de vraag naar de waarde van het naleven van geboden en wetten. De waarde van dat naleven staat in relatie tot waar het hart op gericht is. Marcus laat Jezus er een nieuwe inhoud van de begrippen rein en onrein mee aan de orde stellen.
Reeds in het eerste hoofdstuk van Johannes, bij het optreden van zijn naamgenoot, zien we een tegenstelling tussen mensen van de tempel en de wegbereider van de Ene. Daarbij lezen we dat ‘de Joden’ uit Jeruzalem kwamen om poolshoogte te nemen. Het zijn mensen uit de tempel, priesters en levieten. Mensen van wie je mag verwachten dat ze hun zaakjes op hun duimpje kennen.
Onze relatie met God is een van de thema’s die de vier lezingen voor deze zondag gemeenschappelijk hebben. In de evangelielezing onderwijst Jezus zijn leerlingen over gebed als vriendschap. In de Genesislezing zien we hoe het gebed van een van Gods intiemste vrienden in de praktijk gestalte krijgt. In Kolossenzen roept Paulus de gemeente op tot wandelen met God in een relatie die gebouwd is op en geworteld is in Christus. De psalm bezingt biddend die hechte relatie en de verlossing die deze brengt.
Een bonus krijgen voor je werk vindt niemand vervelend. Anders wordt het wanneer je hetzelfde werk doet als je collega die wel een bonus krijgt, terwijl jij alleen het loon krijgt waarop je recht hebt. Jaloezie is dan geboren. Het lukt dan niet meer om dankbaar te zijn voor dat wat je hebt gekregen.
Op de negende zondag van de herfst naderen we het eind van het kerkelijk jaar. Een nieuw kerkelijk jaar is in aantocht. In die wisseling van de tijden zoeken we het Licht dat ons draagt, het Licht dat ons hier heeft gebracht en dat ons verwachtingsvol doet uitkijken naar dat wat komen gaat. Bij die wisseling van tijden past de ‘oudejaarspsalm’ 90, het gebed van Mozes met de woorden ‘Laat ons uw genade zien’.
Het is een opvallend verschil tussen Johannes en de andere evangeliën: alleen Johannes maakt melding van de wonden van de Verrezene. Matteüs en Marcus zeggen daar niets over. Bij Lucas toont de Verrezene zijn handen en voeten (24,39-40), zoals Hij bij Johannes zijn handen en zijn zijde toont (20,20). Maar alleen Johannes noemt daarbij ook de wonden (20,25.27). De reden is dat Johannes op een heel eigen manier reageert op het in zijn tijd dominante ideaal van het mooie en ongeschonden lichaam. Als je dat weet, begrijp je Tomas beter.
De hemelvaart van Jezus herinnert aan verschillende verhalen in Tenach, waarin mensen worden weggenomen zonder achterlating van hun lichaam. Het gaat om Henoch, die wandelde met God (‘hij was niet meer, want God had hem opgenomen’, Gen. 5,24) en om Mozes (‘niemand heeft zijn graf geweten tot op de huidige dag’, Deut. 34,6). In dezelfde traditie past de hemelvaart van Elia evenals de opstanding en hemelvaart van Jezus. Belangrijke bijbelse personen kunnen niet als mummie in een graf vereerd worden. Je kunt hun woorden doen.